Terug naar overzicht

Hij is halverwege de dertig, maar maakt wat een jongere indruk. Hij heeft een tenger postuur, staat lichtjes gebogen en zijn schouders hangen wat naar beneden in zijn jongensachtige trui. Hij kijkt me steeds vriendelijk aan, met zachte ogen. In het introductierondje vertelt hij dat hij zichtbaarder wil worden.

Steeds wanneer ik iets tegen hem zeg brengt hij zijn hoofd naar achteren en knijpt zijn ogen wat samen. Hij denkt na over wat ik gezegd heb en verbetert me vervolgens vriendelijk. Alsof hij me bij alles wat ik zeg duidelijk wil maken dat ik hem toch niet goed begrepen heb. En daar ben ik gevoelig voor. Ik doe steeds een nieuwe poging om woorden te vinden die wel aanslaan. En ik ga steeds harder werken om hem te bedienen. En hoe harder ik werk, hoe vaker ik terugkrijg dat ik hem niet heb begrepen en dat het niet klopt wat ik zeg.

Tussen de oefeningen door trekt hij zich regelmatig even terug om in zijn opschrijfboekje te gaan zitten schrijven. Zelfs op momenten dat de andere deelnemers even pauze hebben en wat met elkaar kletsen, zit hij in zijn eentje aan de tafel in de hoek van de trainingsruimte te schrijven.

We werken die dag onder andere met licht- en schaduwkanten. Deelnemers onderzoeken welke kanten van zichzelf ze makkelijk en graag in het licht zetten en ook welke er in de schaduw blijven. Ik vertel wat ik zelf graag in mijn ‘etalage’ zet en wat ik liever verstopt houd in mijn ‘magazijn’. En ik leg uit hoe dat wat je in het magazijn verborgen houdt juist overheersend aanwezig is, direct onder de oppervlakte. Dat wat er niet mag zijn, dringt zich op alle mogelijke manieren aan ons op. En juist daar, in dat magazijn, zit je grootste ontwikkelpotentieel. Voor alles wat je makkelijk in je etalage zet hoef je niet meer naar een training, daar ben je tenslotte al expert in. Het is alleen nogal een klus om de moed te vinden om dat wat daar in dat magazijn verborgen ligt toe te laten en in contact naar voren te brengen, omdat we vaak hele goede redenen hebben om die delen van onszelf vooral niet in de etalage te zetten.

Ik vertel hoe ik mijn eigen boosheid in het magazijn heb gezet. Ik kom uit een nest waar we er allemaal niet zo goed in zijn om vol met onze boosheid te komen. Die bleef vaak onder tafel. ”Boos is niet gezellig”, is de conclusie die ik als kind trok. Dat heeft me natuurlijk ook het nodige opgeleverd. Ik ben er bijzonder goed in om conflicten te voorkomen en om ze snel en handig om te buigen en de harmonie te herstellen. Lastiger is het dat het meeste van mijn boosheid dan binnen blijft, waar het volop kan gaan broeien. Als ik mezelf niet keer op keer weer uitnodig om ermee naar buiten te komen, ‘lek’ ik mijn boosheid non verbaal als ingehouden razernij. Ik word cynisch, kattig, of heel ijzig. Pure boosheid kan de ontvanger vaak verrassend goed hebben. Het is misschien wel even slikken, maar het doet de relatie uiteindelijk vaak vooral goed. Vervormde boosheid, zoals bijvoorbeeld cynisme, is meestal beschadigend voor de relatie.

Een tijdje geleden, toen hij weer eens geconfronteerd werd met alle opgekropte woede, die uit mijn porieen sijpelde, zei mijn man tegen me: “volgens mij heb je veel meer redenen om aardig tegen me te zijn dan onaardig…”. Ik moest flink slikken van zijn opmerking, maar hij had gelijk. Mensen die hun boosheid niet toelaten, zijn van binnen vaak razend. Alles wat er niet mag zijn, staat uiteindelijk het meest aan het roer.

In de koffiepauze komt hij naar me toe. “Ik begrijp het wel wat je zegt over dat alles wat in dat magazijn zit juist heel aanwezig is enzo, maar ik snap niet wat je zei over dat mensen die nooit boos worden vaak juist heel razend zijn van binnen.” “Hoe doe jij dat, met boosheid?”, vraag ik hem. “Ik word ook bijna nooit boos”, zegt hij. “Maar ik ben ook echt nooit boos. Dus ik herken niet dat ik dan razend zou zijn ofzo.” Hij kijkt me aan met zijn grote blauwe ogen en met een grote hoeveelheid onschuld in zijn blik. “Wat is de prijs die je betaalt voor nooit boos worden?”, vraag ik. Hij kijkt me verward aan. “Ik snap niet wat je bedoelt hoor”, zegt hij. Ik herhaal mijn vraag. “Ik zie niet in wat ik er aan zou hebben om boos te worden”, zegt hij. Ik rem mezelf in mijn impuls om hem te gaan overtuigen van het nut van boosheid. “Ik ga dat graag met je onderzoeken in de komende twee dagen”, zeg ik tegen hem. “Oké”, zegt hij. Al denk ik ook wat teleurstelling te voelen in zijn reactie. 

’s Avonds komt een collega ingevlogen, zodat we de groep in tweeën kunnen splitsen, wanneer we in de avond werken met het vertellen van verhalen. Hij zit in de andere groep, bij mijn collega. Wanneer ik klaar ben met mijn groepje lopen we naar de andere trainingsruimte, waar mijn collega nog aan het werk is. Hij staat in het midden van de kring. De spanning in de ruimte is direct voelbaar. “Ik snap gewoon niet wat je van me wil”, zegt hij tegen haar. Zijn eerder zo zachte ogen spuwen nu vuur. Zijn blik matcht niet met de manier waarop hij praat. Zijn stem krijgt iets heel verongelijkts, terwijl hij haar nu frontaal aanvalt. “Ik ben afgehaakt hoor. Het is totaal onduidelijk waar we naar toe gaan en wat je van ons wil met die verhalen.” Mijn collega knikt en luistert. “En trouwens, ik weet niet of je om je heen gekeken hebt, maar iedereen is afgehaakt.” Het is doodstil in de groep. “Daar raak je me wel mee”, zegt mijn collega en ik in haar ogen hoe ze het meent. “Dat hoeft helemaal niet”, zegt hij. In zijn ingehouden woede wordt hij ronduit vilein. Doordat zijn boosheid er op halve kracht uit komt, wordt die vlijmscherp. 

“Hier ga ik morgen met je mee verder”, zeg ik hem. Het is inmiddels tien over acht en over twintig minuten wordt het diner geserveerd in het hotel even verderop waar de deelnemers overnachten. “Misschien moeten wij dan nog met z’n drieën gaan zitten om het hier over te hebben zometeen”, zegt hij nog. Ik voorvoel een herhaling van de je-hebt-me-niet-begrepen-dynamiek en voel in mijn hele lijf weerstand bij dat scenario. “Morgen ga ik hier met je mee verder”, zeg ik opnieuw.

Mijn collega en ik nemen afscheid van de deelnemers en met z’n tweeën praten we nog wat na. Ze is geraakt door wat er gebeurde. “Je kreeg ook een paar flinke tikken”, zeg ik haar. Even later rijd ik in het donker naar huis.

De volgende ochtend in de auto bel ik een ander collega, die ook onderweg is naar een training. Ik voel onrust in mijn lijf. Ik vertel hem wat er gebeurde en ik ratel over de mogelijke interventies die ik in gedachten heb. “Stop even”, zegt hij. “Waarom wil je hem zo graag redden?”, vraagt hij. Ik ben even stil. “Omdat ik bang ben dat ik anders de volgende ben die een tik krijgt”, zeg ik. “Shit”, zeg ik. “Dankjewel”. Ik hang op en rijd verder naar de trainingslocatie.

Aan het begin van de ochtend werken de deelnemers hun eigen flip-overvel met hun leerdoelen bij. Ik loop de ruimte rond en schuif hier en daar bij iemand aan. Zo ook bij hem. “Ik snap het nog steeds niet met die boosheid”, zeg hij. Ik vertel hem hoe ik onder de indruk was van de felheid die hij gisteravond liet zien. “Had ik dat niet moeten doen dan?” vraagt hij. “Dat zeg ik niet” “Ik ben eerlijk gezegd juist wel trots dat ik een keer zoiets gezegd heb. Normaal gesproken hou ik dan altijd mijn mond.” Ik zie in zijn ogen dat de verwarring oprecht is. “Je bent terecht trots”, zeg ik. “Mooie en dappere stap heb je genomen. Van hieruit kunnen we kijken hoe je met je boosheid kan komen en tegelijkertijd in contact kan blijven. Nu ben je nog geneigd om een tik uit te delen en vervolgens van binnen af te haken.” Hij knikt.

Aan het einde van de ochtend nodig ik hem uit om naast me voor de groep te komen staan. Even dreigen we weer in het inmiddels vertrouwde patroon terecht te komen. Hij ventileert met een wat verbeten ondertoon opnieuw zijn mening over de invulling van het avondprogramma en zoekt medestanders in de groep. “Volgens mij was ik echt niet de enige die afhaakte”, zegt hij, terwijl hij vragend de groep rondkijkt. De groep blijft stil. “Volgens mij heb jij niet helemaal door hoe heftig je kan zijn”, zegt een mededeelnemer. “Dat snap ik niet hoor”, zegt hij. “Die andere trainer nam het gewoon veel te dramatisch op.” “Ik wil het nu niet meer hebben over het programma of over mijn collega”, zeg ik. “Ik wil het hebben over jou.”

“Ik vind het nogal spannend met jou”, zeg ik hem. Hij kijkt me met gefronste wenkbrauwen aan. “Ik krijg het gevoel dat ik heel secuur mijn woorden moet wegen en precies de juiste woorden moet weten te vinden. En als me dat niet lukt, dan zeg je dat je het niet snapt, of dat het niet klopt wat ik zeg en als ik niet oppas dan haak je af.” Hij is stil. “Waar ken je dat van, dat je het gevoel hebt dat je het niet snapt en dat je dan afhaakt?” vraag ik. Weer is hij stil. “Ik ben de jongste van drie broers”, zegt hij dan. “Ik ben een nakomeling. De broer boven mij is negen jaar ouder en mijn andere broer is elf jaar ouder.”

Ik trek twee mannen uit de groep deelnemers en zet die voor hem neer. “Hier staan je broers”, zeg ik. “Hoe oud ben jij?”, vraag ik. “Tien”, zegt hij. “Dus hier staan twee jongens van negentien en van eenentwintig voor je. Da’s wel een grote klus voor een jongetje van tien, om dan alles te proberen te snappen.” Hij knikt. “Dan begrijp ik wel dat je afhaakt.” In de stilte die volgt zie ik hoe dat hem raakt.

“En hoe heb je geleerd om je kracht zo in te houden?”, vraag ik. “Ik wel wist dat ik het fysiek toch nooit van ze kon winnen”, zegt hij. Nu knik ik. “Hoe oud ben je nu?” vraag ik. “Zesendertig”, zegt hij. Dan is nu de tijd gekomen om het niet meer te doen als een jongetje van tien, maar als een man van zesendertig.” “Ja”, zegt hij.

Voor de lunchpauze werken de deelnemers cases uit om in de middag mee aan de slag te gaan. Hij zit weer met zijn opschrijfboekje aan de tafel, zucht diep en kijkt me met een vragende blik aan. “Kom je eruit?” vraag ik en terwijl ik dat zeg realiseer ik me dat ik me toch weer heb laten verleiden. Ik ga naast hem zitten. En opnieuw verzanden we in een hoop gepraat. Ik probeer hem uit te leggen wat de kracht van boosheid is. Hoe je boosheid nodig hebt om grenzen te kunnen stellen, om zichtbaar te zijn en hoe boosheid een noodzakelijke voorwaartste kracht geeft. Hij peinst, kauwt op mijn woorden, stelt de definitie van de woorden die ik gebruik ter discussie en geeft me steeds weer aan dat het niet precies klopt wat ik zeg. En ik ga weer mijn best doen om op zoek te gaan naar de juiste woorden voor hem. De rest van de deelnemers is inmiddels naar de lunchruimte. Nu voel ik dat ik er zelf boos begin te worden. “Als we op deze manier met elkaar in gesprek zijn, voel ik alle energie uit me vloeien”, zeg ik hem. “We zakken samen steeds dieper in een moeras van gemuts en getrut.” Hij is stil nu. “En dit vind je misschien niet leuk om te horen, maar zo word je een beetje een zacht ei.” Ik wacht enigszins gespannen af hoe hij zal reageren. “Ja, dat snap ik, ” zegt hij. “Als je de afgelopen twee dagen aan je voorbij laat gaan, waar ben je dan echt zat van?” vraag ik. “Waar ben je helemaal klaar mee?” “Met dat zachte ei”, zegt hij. “Ik wil gewoon direct kunnen komen met mijn irritatie en mijn pissigheid.” “Nu word je ineens heel helder”, zeg ik. “Nu krijg ik weer energie van je.” Hij grijnst. “Dit is de kracht van je boosheid gebruiken”, zeg ik. “Dankjewel”, zegt hij met een glimlach. “En nu ga ik lunchen”, zeg ik. Ik sta op om richting de lunchruimte te lopen en zie dat hij alweer in zijn opschrijfboekje is gedoken en druk aan het bladeren is. “Het antwoord staat niet in je boekje”, zeg ik. “Het antwoord zit in je ballen!” We lachen allebei hardop en ik loop verder de trap af.

Wil jij ook onderzoeken welk potentieel er in jouw schaduwkanten verborgen ligt? Wil jij flinke stappen zetten in je persoonlijke ontwikkeling? Wil je ontdekken hoe oude patronen van invloed zijn op je huidige functioneren? En daar nieuwe bewegingsruimte in leren creëren? Kom dan naar de driedaagse Masterclass Persoonlijk Leiderschap - Worden wie je bent

Klik hier voor meer informatie.

Uw trainster, Anne van Weeghel.