Terug naar overzicht

Een output manager is eenvoudig te herkennen. Je ziet het meteen aan zijn of haar gedrag, houding en woordgebruik.  Hieronder een kleine opsomming van de belangrijkste verschillen tussen een input en een output manager.

In het kader van gedrag: 

  1. Een input manager stuurt op inspanning. Een output manager stuurt op resultaat.
  2. Een input manager kijkt van Binnen naar Buiten. Een output manager kijkt van Buiten naar Binnen. Voor een output manager is de klant altijd de baas van de baas.
  3. Een input manager stuurt op HOE, een Output manager stuurt op WAT. 
  4. Een input manager vermijdt conflict. Een output manager is conflict bestendig. 
  5. Een input manager definieert éénzijdig het doel en “ZIJN” Oplossing. Een output manager krijgt oplossingen die aan zijn criteria voldoen. 
  6. Een output manager weet een probleem van de organisatie te ‘vergemeenschappelijken’ binnen zijn team. Een input manager legt de schuld bij een ander.

Als het gaat om houding: 

  1. Weet een output manager precies tot waar hij/zij mag (moet) gaan en waar hij/zij mag (moet) stoppen. 
  2. Bevraagt en toetst de output manager het antwoord  van zijn medewerkers  op de vraag: “Wanneer heb ik goed gewerkt?” 
  3. Bewaakt de manager bij zijn medewerkers het evenwicht tussen verantwoordelijkheid, competentie en bevoegdheid. 
  4. Kan hij/zij een verandering verkopen zonder conflict te genereren. 
  5. Stuurt de output manager op doelniveau en geeft ruimte op oplossingsniveau. 
  6. Geeft hij/zij zelf geen oplossingen maar vraagt oplossingen die voldoen aan voorgesproken criteria. 
  7. Stuurt en vertaalt hij/zij kwantiteit naar kwaliteit.

In woordgebruik herken je een output manager omdat: 

  1. Hij/zij op probleem niveau in de “IK-vorm” en niet in “men” of “we” vorm spreekt.
  2. Hij/zij op probleemniveau  niet-discutabele feiten en cijfers communiceert zodanig dat het team het eens is over “het probleem.” 
  3. Hij/zij op doelniveau vergelijkende bijwoorden gebruikt eindigend op “er,” zoals: meer, groter, groener, minder, hoger en lager. 
  4. Hij/zij op doelniveau  werkwoorden gebruikt beginnend met “ver……… “ zoals: veranderen, verbeteren, verhogen, verbreden……… 
  5. Hij/zij op criterianiveau randvoorwaarden formuleert met zinnen die eindigen met bijvoorbeeld “zodanig dat………,” en “zonder dat…………,” .
  6. Vaak herken je een output manager zonder erbij na te denken. Hij/zij heeft zeker nog meer aantoonbare kenmerken, maar dit lijkt ons reeds een prima aanzet.  

Dirk Spillebeen & Filip Vandendriessche